DE BRUIDSJURK 
Er was eens een deftige Koning en een nog deftiger Koningin. Ze leefden samen in een prachtig groot wit Paleis waarop 20 rode torentjes het geheel sierden.
In het Paleis kon je gemakkelijk met 50 personen wonen, maar de enige persoon die bij de Koning en de Koningin woonde was een lakei, die nooit lachte, zelfs nooit glimlachte en zelden zomaar een aardig woordje zei. Zijn gezicht stond standaard op zuinig en zuur, waardoor zijn mond eruit zag als een recht lijntje dat aan het einde van beide mondhoeken diep naar beneden afboog. De lijn prevelde de ganse dag: Jazeker mijne Weledele Hoogheid, of: niet dat ik denk mijne Hoge Edele hoogheid.
De Koning en de Koningin waren zelf ook niet de lolligste met hun deftige gewoontes, dus echt gezellig en leuk was het niet, daar in het grote Paleis. Tot er op een zonnige dag een Prinsesje geboren werd. De Koning en de Koningin waren heel erg gelukkig en vertroetelde het kleine Prinsesje van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat.
“Kiekeboe”, riep de Koning en “Kukakuka”en “Prrrrrrr”. Bij “Prrrrrrr” kietelde hij de Prinses onder haar onderkinnetje en dat vond het kleintje zo leuk, dat ze schaterde van het lachen. De Koningin knuffelde de Prinses de hele dag. Ze gaf kleine kusjes op de Prinses haar roze wangetjes en zong mooie melodieuze liedjes en wiegde haar in haar Koninklijke armen in slaap.
Zo groeide de Prinses op tot een vrolijke kleuter en jonge dame. Het was heerlijk in het paleis. Overdag hoorde je de Prinses zingen en babbelen met haar ouders.
’s Avonds werd er tijdens de Vorstelijke spruitjes gelachen en als de deftige Koning en de nog deftiger Koningin een glaasje met een tikje te sterke pruimensap hadden gedronken, dan was het helemaal bal.
Zo vlogen de jaren om. Het volk kon zich geen beter Koninkrijk wensen.
En dat allemaal door de liefde en de vrolijkheid van de lieftallige Prinses.
Wat ook zo heerlijk en zalig-zoet in het paleis was, waren de taarten en de toetjes die de wat opgevrolijkte lakei opdiende na ieder Koningsmaal.
Na het toetje likte de Prinses haar Prinsessenvingers zorgvuldig af en slaakte daarna een voldane zucht. Helaas was er wel een vervelende bijkomstigheid. Door zo te smikkelen van de taarten groeide de Prinses van een dunne Prinses naar een ronde Prinses.
Het was helemaal geen ramp, het sierde de Prinses zelfs. Zo was zij gelukkig en iedereen, zelfs de lakei, voelde zich blij worden als ze in haar nabijheid verkeerden.
Tot op een dag er een jonge Prins op de Paleisstoep stond samen met zijn hond Kwijl.
Toen hij de Prinses in haar grijsgroene ogen keek sloegen de vlammen hem uit en gelukkig gebeurde dat ook bij de Prinses. Ze werden verliefd. Ze maakten lange wandelingen langs de rivier en op een zonnige namiddag plukte de Prins een boeket witte madelieven bij elkaar voor zijn Prinses, knielde voor haar en zei: ”Mijn lieve, mijn prachtige Prinses, wil je a.j.b. met me trouwen?” De Prinses vloog de knappe Prins om zijn nek en riep zo hard als een Prinses kon: “Ja, mijn heerlijke Prins, Ja, ja, ik wil heel graag met je trouwen.”
Toen de Koningin de blijde boodschap hoorde, klapte ze verrukt in haar ranke handen. “De Trouwjurk! We gaan uit de Bruidstoren de Koninklijke Trouwjurk halen.”
Generaties lang hadden de Koninginnen en de Prinsessen de Koninklijke Bruidsjurk mogen dragen die in de hoogste toren van het Paleis hing. Met snelle tred renden de Koningin en de Prinses de 150 trappen op naar de Bruidstoren.
De Bruidsjurk glinsterde in het zonlicht. De Koningin hield de Prinses de Bruidsjurk voor. De prachtige ragfijne witte stof wiegde mee met iedere beweging. De Prinses stapte in de Bruidsjurk, hees deze omhoog en stak haar armen in de witkanten mouwen. De mouwen spanden zich om de Prinses haar bovenarmen. De Koningin probeerde de rits dicht te trekken aan de achterkant van de jurk. Ze moest de zijkanten van de jurk strak naar achteren trekken.
Tevergeefs trok ze aan het lipje van de rits. Er was geen enkele beweging meer in de rits. De Jurk bleef steken en de Prinses barstte in tranen uit. “Te dik, te dik, te vol”, zuchtte de deftige Koningin. Nu kon de Prinses niet in de Koninklijke Bruidsjurk trouwen. De Koningin en de Prinses waren helemaal van de leg. De enige oplossing was om geen toetjes en taartjes meer te eten. Zo zou de Prinses dunner worden en pas na een poosje in de Bruidsjurk passen. Na vier weken renden de Koningin en de Prinses weer naar de Bruidstoren om de Bruidsjurk te passen. Helaas, het lukte niet om in de Jurk te komen en daarom werd de Prinses met de dag verdrietiger. Omdat ze zo sip was had ze op een gegeven moment helemaal geen trek meer om te eten. De Prinses werd met de dag bleker en dunner. Donkere kringen staken zo zwart als de nacht af onder haar fletse ogen. De Prinses werd stiller en zwakker. Er werd niet meer in het paleis gelachen en al helemaal niet meer gezongen. De Prins probeerde de Prinses iedere dag op te vrolijken. Met hond Kwijl maakte hij flauwe grappen. Niets hielp. De Prinses bleef sip en was nu zelfs zo ziek, dat ze niet meer de trappen op kon hollen naar de torenkamer, waar haar mooie Bruidsjurk hing. De Prinses dacht alleen nog:
IK MAG NIET DIK WORDEN.
Niemand kon haar helpen. Het leek alsof het de Prinses niet meer kon schelen of ze ging trouwen. Ook de Prins werd met de dag verdrietiger en wenste dat er geen Koninklijke Bruidsjurk bestond.
Op een zonnige woensdagmorgen werd er aan de Paleispoort geklopt. Toen de lakei de poort opende zag hij een klein eng mannetje staan. “Aan de Deur wordt niet geklopt en al helemaal niet gekocht,” zei de lakei zuur en wilde de deur weer sluiten, maar het kleine mannetje kon nog net zijn puntschoen tussen de deur steken. “Ik heb gehoord dat er ellende in het Paleis heerst. Ik heb een plannetje. Als je voor mij de Koning wilt roepen, dan zal er zeer zeker in een korte periode weer vreugde zijn in het Paleis.” De Koning, die toevallig de vestibule overstak richting de keuken, hoorde deze woorden en snelde zich naar de poort.
Hij trok het mannetje naar binnen en plantte hem op een Koningsblauwe pluche stoel. De Koning beloofde alles te geven wat het mannetje zou vragen, mits hij de oplossing kon brengen voor de Prinses. Met een trillende stem begon het mannetje te vertellen. Hij was de woordvoerder van het Boswillievolk. Hij kon er voor zorgen dat de Prinses weer beter zou worden als hij haar mocht meenemen samen met de Bruidsjurk. Na 100 dagen mocht de Prins zijn bruid komen halen.
De Prinses zou weer stralen van geluk en gezondheid. De Koning krabde zich eens onder zijn Majestueuze kin, schraapte zijn keel 3 keer en zuchtte diep. “Doe het Boswillieman, doe het maar.” De Koning slaakte een diepe zucht. Inmiddels waren de Koningin en de Prins gearriveerd. “Alleen als Kwijl meegaat als chaperon!” riep de Prins vertwijfeld uit. En zo geschiedde. De Prinses werd van warme kleding voorzien. Samen met Kwijl nam de Prinses afscheid van de Koninklijke Familie en stapte moedig de Zilveren Koets in die speciaal bestemd was voor belangrijke gebeurtenissen. Met Wapen en Vlag verdween de Prinses in de donkere nacht.
Na een lange rit stopte de Koets en de bleke Prinses zag door het raam dat ze in een duister bos waren aangekomen. Dikke nevel maakte het bos kil en koud. Zodra het mannetje uit de Koets stapte, kwamen er wel 50 Boswillies tevoorschijn. Ze hielpen de Prinses met uitstappen en brachten haar samen met Kwijl naar een, voor de Boswillies, groot gebouw. Het gebouw was het clubhuis voor de Boswillies en voor deze gelegenheid hadden ze het de Prinses aangeboden als een soort van hotel om haar dagen door te brengen tot ze beter was.
De Prinses kon zich nog net door de deur persen en hing de Bruidsjurk aan een haak. Uitgeput viel ze in slaap op de vele matrassen waar wel 20 Boswillies languit konden liggen. Kwijl nam genoegen met de kleine mat die voor de deur lag.
De volgende ochtend werd de Prinses wakker door een lik van Kwijl op haar magere gezichtje. “O lieve Kwijl, ik heb zo heerlijk geslapen.”, geeuwde de Prinses. “laten we naar buiten gaan en kijken wat het Boswilliemannetje voor ons in petto heeft.”
Toen de Prinses zich naar buiten had gewurmd, zag ze dat de Boswillies al druk in de weer waren. Er werd gelachen, gezongen en gewerkt, maar toen ze de Prinses zagen werd het stil. Het kleine mannetje boog voor de Prinses. “Mijne Hoge Prinses. Deze dag is het begin van uwe gezonde goede leven. De oplossing voor uwe welzijn is deze: met uwe toestemming zouden wij gaarne de Koninklijke Bruidsjurk in vele stukken knippen. En wat zou het mooi zijn om van al die glinsterende lapjes nieuwe bruidsjurken te naaien voor de Boswillievrouwen zodat zij eindelijk kunnen trouwen in een bruidsjapon met hun geliefden?” De Prinses schrok. Knippen in de Koninklijke Bruidsjurk? Dat zou toch niet mogen gebeuren! De Bruidsjurk hoorde in de toren van het paleis te hangen, wachtend op de Prinses, tot zij deze zou passen!
Maar de andere kant van het verhaal zou zijn dat de Prinses de Bruidsjurk NOOIT meer hoefde te passen en dat zij haar eigen bruidsjurk zou kunnen uitzoeken. Een bruidsjurk die paste om haar Prinsessenfiguurtje. Twijfelend keek de Prinses naar Kwijl. Die blafte bij wijze van akkoord. De Prinses knikte blij naar het kleine mannetje. “Doe maar Boswilliemannetje! Scheur en knip de Jurk maar aan flarden. Maak de Boswillies blij!” Die dag heerste er een opgewekte bedrijvigheid in het bos. Met een rode blos op haar wangen maakte de Prinses de eerste knip in de Bruidsjurk.
Er werd geknipt, geregen, gepast en genaaid. De zijde stof week van elkaar en de diamanten glinsterden extra toen de Jurk uit elkaar viel. De parels en de diamanten werden zorgvuldig in een fluwelen doos bewaard en in de kluis gelegd, wachtend om later op de kleine bruidsjurken gezet te worden. Vanaf dat moment werd de Prinses met de dag gelukkiger. Ze kreeg weer wat vet op haar botjes en haar ogen straalden iedere dag een tikje meer. De Prinses had veel plezier in het helpen van de Boswillies en vergat haar eigen zorgen. Na 100 dagen waren er 68 bruidsjurken klaar.
De Boswillies hadden het bos volgehangen met gouden lampjes.
Zodra het donker was stak het Boswilliemannetje de stekker in het bosstopcontact en werd de omgeving omgetoverd tot een sterrenbomenbos. Die avond zat de Prinses samen met haar trouwe vriend Kwijl op de erezetel te wachten op de ceremonie. Wat de Prinses absoluut niet wist, was dat het Boswilliemannetje de Koninklijke familie had laten weten, dat de Prinses weer gezond genoeg was om naar het Paleis terug te gaan.
Het was muisstil in het bos. De Prinses keek afwachtend om zich heen. De Boswillies waren nergens te bekennen.
“Kwijl, waar zou iedereen toch zijn?” riep de Prinses uit. “Als dit een grap is dan zullen we wel even lachen, hè Kwijl?” De Prinses lachte zo hard dat ze bijna van haar zeteltje viel. Kwijl kon haar nog net tegenhouden met zijn dikke buik. De Prinses wreef haar ogen droog en toen ze deze weer opende stond de Prins voor haar Vorstelijke neusje.
“Oh mijn lieve Prinses, wat ben ik blij om je weer te horen lachen”, stamelde de Prins, “wil je nu a.j.b. met mij trouwen?” De Prins keek haar vragend aan met zijn mooie blauwe Prinsenogen. “Lieve Prins, hoe kom jij nu hier? Ik schrik me een hoedje."
'Ik heb nu geen Bruidsjurk meer. Uit de Koninklijke Bruidsjurk zijn 68 bruidsjurkjes gemaakt voor de Boswillies.” stamelde de Prinses. “Dat kan me geen drol schelen”, riep de Prins. “Het enige wat telt is dat jij mijn vrouw wordt. Een Bruidsjurk is niet belangrijk! Kijk eens wat de Bruidsjurk ons heeft aangedaan! Ik laat je nooit meer gaan! Mijn lieve lieve Prinses. Ik ben zo blij dat ik je weer gezond in mijn armen kan houden.” Gelukstranen sprongen in de Prinses haar ogen. “Ja, mijn goede, lieve, trouwe Prins, ik wil heel graag met je trouwen”. “Dat is dan geregeld”, riep het Boswilliemannetje.
Hij klapte in zijn handen en achter de bomen kwamen 68 Boswillievrouwen tevoorschijn in hun fonkelenden bruidsjurken. Samen met hun 68 Boswilliemannen maakten ze deel uit van dit sprookjesverhaal. Het Boswilliemannetje had een drukke avond. Hij trouwde de 68 paren en als laatste de Prinses en de Prins…….
En zoals het in sprookjes gaat, leefden ze nog heel erg lang en super gelukkig.
Nou denk je: waar zijn de deftige Koning en de deftige Koningin nou gebleven? Ik hoop dat ze alvast van die Heerlijke Koninklijke Taartjes aan het bakken zijn voor het Bruiloftsfeest, dat zeer zeker nog een keertje gevierd wordt in het mooie Paleis.
Dat wordt Vorstelijk genieten……….
|
|
|