ODE AAN DE RODE POES ( TIJGER )

DE KONINGIN VAN DE TRAP

‘Ik ben de Koningin van de Trap’, zegt de rode kleine Poes.
Daar zit ze dan, bovenaan op de hoogste trede van de buitentrap.
Haar kroon zit scheef tussen haar oortjes.

De Koningin van de Trap is frêle, bijna broos, dus dunnetjes en haar vachtje zit losjes om haar heen gedrapeerd. Het waait flink op de trap. Het is westenwind kracht 8. Door de wind deint haar rode velletje heen en weer.


WAAG HET NIET OM BIJ DE TRAP TE KOMEN

Buurtpoezen krijgen een grimmig donker gebrom te horen en als je een hond bent, kijk dan maar helemaal uit! Met haar lange nagels kan ze flink uithalen naar de tegenpartij. Laatst was Harry, de nieuwe hond van de benedenburen te enthousiast tegen haar.

Dat heeft hij moeten bezuren. Met een fikse sprong vanaf haar troon vloog ze door de lucht naar beneden en hing ze aan zijn kop, Harry met gapende wonden jankend achterlatend.

Maar de Koningin van de trap is ook lief. Voor haar baasje doet ze alles. Ze spint, geeft kopjes en pootjes en ze luistert goed naar haar. Gaat nergens zitten waar het niet mag. Eet netjes, zonder smakken of morsen haar geprakte visje en drinkt chique, zonder spetters, haar speciale poezenmelk. Kan zeer zeker de hele dag slapen in haar kleine doosje, gevuld met zachte dekens en doet ‘het’ absoluut niet naast de kattenbak.


Binnen bij baasje is zij even Koningin af.
Dan wordt het avond. Ze gaapt, rekt zich uit en loopt statig naar buiten.
En zodra de deur achter haar fluwelen pootjes dichtvalt wordt ze:


DE KONINGIN VAN DE TRAP