VERVOLGVERHAAL

SAM en BOSPORUS

6000 Jaar geleden wordt er tijdens een verschrikkelijke sneeuwstorm vlakbij de stad Sitopsi een klein meisje geboren. Haar ouders zijn erg arm en kunnen het kindje niet opvoeden en geven wat zij nodig heeft. Daarom wordt zij bij de vroedvrouw Mercedes achtergelaten, die het
kind Samthamana (kind van diamanten) noemt. Op een dag ontdekt Mercedes dat er op Samthamana's rug vleugels groeien. De vleugels geven Sam de vrijheid om te vliegen als een vogel zo vrij in de lucht.

Mercedes heeft altijd geweten dat het een bijzonder kind is en is niet verbaasd over deze wonderlijke vleugels. Toen ze Sam voor het eerst zag wist ze dat ze een bijzonder kind in haar armen hield. Ze verzorgt het meisje alsof het haar eigen baby is
en is zeer gelukkig.
De vrouw Mercedes heeft wolven als huisdieren en op een dag wordt er
een kleine wolf geboren. Mercedes geeft hem de naam Bosporus (de sterkste). Samthamana
en Bosporus worden samen groot. Op een zekere dag besluiten ze de wijde wereld te
verkennen. Mercedes blijft achter met haar wolven,
wachtend op haar stoel bij het raam die haar het uitzicht geeft over de weide velden van de
wereld.

SAM

Een meisje als Sam kom je in het dagelijkse leven niet gauw tegen. In haar blauwe kijkers
(ogen) glinstert altijd een uitdagende en ondeugende twinkeling. Haar wilde bruine
haren omlijsten haar blozende gezicht. Mercedes heeft van een lap stof een jurk voor
Sam gemaakt. De rood-bruine jurk wordt bij haar middel met een brede lederen riem op
zijn plaats gehouden. Aan de riem hangen Sam’s belangrijkste bezittingen. Haar geldbeursje,
een schaar, een kam en een foto van Mercedes. Stevige laarzen zorgen ervoor dat ze met
beide benen in de wereld blijft staan.

BOSPORUS

En Bosporus? Die is groot en zwaar en sterk en zijn vacht is grijs met een vleugje bruin.
Daar is alles mee gezegd. Alhoewel: soms stinkt hij een beetje en heeft hij, als hij
verschrikkelijk boos is, slijmdraadjes aan zijn bekkie hangen. Laat ik niet vergeten te
vertellen dat hij voor Sam een Super-Mega lieve vriend is. Zoveel vriend, dat hij zelfs zijn leven
voor haar zou geven als ze in gevaar zou komen.


"Stop! Even op mijn neus krabben", roept Sam. Ze tuurt naar haar neus en ziet nog net een insect wegvliegen. Bosporus, die hijgend terugrent naar haar geeft haar een spetterende lik. "Jij slijmballetje! Durf je wel!"
Plagend slaat ze haar armen om de grote wolf heen en samen rollen ze van de berg af.. "Pfffff, zo en
nu gaan we bedenken welke richting we nemen. Oost, Zuid, West of Noord. Wat denk jij?"
Bosporus gromt tevreden. Hij vindt alles goed zolang hij maar samen met Sam is.
Met zijn trouwe ogen kijkt hij haar aan. Zijn dikke vacht glanst in het
zonlicht. Sam draait een rondje met haar ogen dicht. "Noord, West, Zuid, Oost, Noord, West, Zuid, Oost."
Steeds harder draait ze en ploft dan neer op de grond. Met haar gezicht naar het Oosten.
"Dat gaat het worden", fluistert Sam. "Kom luizakkie, we gaan." Met een stevige tred lopen de twee hun eerste avontuur tegemoet.
sam





De reis naar het Oosten begint met een stevige wind. De grijze wolken die te lang het land hebben verduisterd worden weggeblazen en weldra is de lucht strakblauw. De warme zonnestralen zorgen ervoor dat Sam en haar maatje Bosporus uitgelaten aan hun avontuur beginnen.

Sam voelt de wind aan haar vleugels trekken en of ze nou wil of niet, de stevige vleugels tillen haar vanaf de grond de lucht in. Met blozende wangen laat ze zich meevoeren. Bosporus houdt haar goed in de gaten. Hij rent precies in de maat van Sam. De weg slingert door het ruige landschap en na een uurtje of twee is er niets meer te zien van de schamele ruïnes en bergen waar de twee vandaan komen.

Dikke bomen kondigen een nieuw stuk natuur aan. Het ruikt er heerlijk. De verse groene bladeren geven een zomerse vleug af, die prikkelt in de neus van Sam. Hoe verder ze het bos ingaan, hoe moeilijker het lopen wordt.

Dikke wortels kronkelen zich over het smalle pad en maken het voor de vrienden bijna onmogelijk om de weg te volgen. Zelfs Bosporus heeft grote moeite om zijn poten goed neer te zetten.

"Bossie, we moeten een laartje (open plek in een bos) zien te vinden. Daar kunnen we onze slaapplaats in orde brengen. Voor vandaag hebben we genoeg gereisd. Het is tijd om te eten en te drinken. Ik hoor mijn maag rammelen van de honger. Kijk! Daar zie ik een zonnestraal tussen de bomen. We hebben geluk!" roept Sam uitgelaten.


Hoe dichter ze bij het licht komen, hoe meer het er op lijkt dat er daadwerkelijk een open plek bestaat. Sam duwt de takken die haar gezicht raken weg en ziet dat ze gelijk heeft. Met een sprong belandt ze op het malse gras en met een doffe plof volgt Bosporus haar. Oude takken die de grond bezaaien kunnen goed van pas komen om een onderkomen te bouwen. Sam verzamelt ze en zet ze rechtop tegen elkaar aan. In het midden komen de dorre takken tesamen. Bosporus kijkt lodderig toe met zijn snuit op zijn voorpoten. Als Sam klaar is, eten ze het stuk brood op wat Mercedes voor hen heeft ingepakt en drinken van het water wat heerlijk koel is gebleven in de waterzak. Ze zijn moe en slaperig en het duurt niet lang of ze vallen in slaap.

De volgende dag prikt een zonnestraal Sam wakker. De zon gluurt al een poos door de takken en verwarmt het geheel. Sam knippert met haar ogen. "Bossie, wordt wakker! Een nieuwe dag. Een warme dag." De grote wolf rekt zich geeuwend uit en trekt zich op door zijn poten stevig op de grond te zetten. Dan, zo plotseling, als Sam uit de slaapplaats wil kruipen, valt er een schaduw over de plek. Verschrikt kijkt ze op en kijkt in de meest lichte ogen die ze ooit heeft gezien. Zo licht! Ze kaatsen zelfs terug naar het zonlicht. Ze ziet een grote rijzige man met wilde haren en een grijze baard die reikt tot op het puntje van zijn schoenen. Zijn lange wijde jas is gemaakt van donkerblauw fluweel en daaronder heeft hij een dikke grijze wollen trui. De breedgeschouderde gestalte neemt Sam van top tot teen op en steekt zijn hand uit naar Bosporus.
"Wie bent U?" stamelt Sam. "Ik ben Rokus," antwoordt de man. Zijn donkere stem dendert door het stille woud. "Ik woon aan het einde van het bos, daar waar de Kleibergen beginnen. En wie zijn jullie in vredesnaam? Daar ben ik wel erg benieuwd naar. Weten jullie wel waar jullie zijn?" Sam schudt haar krullenhoofd. "Jullie bevinden je op het land van de Wacher Wendils. De Wacher Wendils is een geweldadig volk. Ze hebben het bos bezaaid met Klefbommen. De Klefbommen bestaan uit een plakkerige klei en slurpen alles op met hun oranje tongen wat ze tegenkomen. Ze zijn snel en ruiken ieder levend wezen vanaf een lange afstand.

Mocht je opgeslurpt worden dan spugen ze je pas weer uit bij de Wacher Wendils. De Wacher Wendils zorgen ervoor dat je hier nooit meer terug komt. Het bos is flink leeg sinds ze de macht hebben, niemand is ooit teruggevonden. "Met een verdrietige blik, die zijn ogen troebel maakt, strijkt Rokus over zijn grijze baard.


"Is er dan niemand die het opneemt tegen de Wacher Wendils?" vraagt Sam. "Velen hebben het geprobeerd en velen hebben gefaald. Niemand is sterker dan de Wacher Wendils.

Zelfs ik niet."

WORDT VERVOLGD